Schuttersgilde St.Martinus Megchelen

Geschiedenis
Majorettenkorps
Drumfanfare
Vendeliers
Contact
Links
Geschiedenis

(Uit "Het Meghlo dat Megchelen werd", door Wim Winands)

De oude schutterscompagnie is door de omstandigheden van de maatschappelijke, staatkundige en politieke aard nogal eens aan veranderingen onderhevig geweest.. Hoewel aanvankelijk een overheidsinstelling met als taak ordebewaking in eigen regio verwaterde deze doelstelling, vooral na bijna een eeuw van orde en rust die Nederland in het binnen- en buitenland mocht beleven.
Dit had tot gevolg dat de oude Landstorm-compagnie geleidelijkaan als overheidsinstelling verdween en steeds meer het karakter van kermiscomité verkreeg en organisatorisch bestond uit een groep van gemiddeld zes zogenaamde officieren, waarvan twee man als vaandrigs funktioneerden. Met het verdwijnen van de verplichte burgerdiensten kende men ook geen ledenbinding meer, en zo gebeurde het dat wie (vrijwillig) medewerking bood ook welkom was.

Mede beïnvloed door de sterker wordende economische crisis tekende zich zo rond 1930 een verval af. Bij de dorpsbewoners begon tegen de gang van zaken bij de compagnie in stijgende mate weerstand te groeien en wel dusdanig, dat de officieren allengs begrepen dat er een herziening moest plaatsvinden. Het grootste bezwaar van de dorpsbewoners was dat zij geen enkele invloed kon uitoefenen op het doen en laten van de heren officieren. Dat de belangstelling voor het schutterswezen bij de dorpsbewoners nog sterk leefde bleek wel, toen in de zomer van 1935 in Arnhem een schutterslandjuweel werd gehouden, waaraan ook door de Compagnie uit Megchelen met zo'n 100 schutters werd deelgenomen.

Onder leiding van de reservekapitien bij de Infanterie, Dirk Bakker uit Gendringen Gendringen had men vooraf een grondige oefening in exercitie ondergaan en het resultaat was dan ook overweldigend gunstig. Dit gebeuren werd de aanleiding dat de officieren van de compagnie merkten dat het in Megchelen menens begon te worden en op 18 febr. 1936 werd een openbare vergadering belegd met als doelstelling de schutterscompagnie om te vormen tot een schuttersgilde, met contributie betalende leden en met een door de leden gekozen bestuur, officieren, vaandrigs en andere functionarissen.
Kapitein Theodoor Friesen van de Compagnie opende de vergadering, die door 95 belangstellenden was bezocht, waarna Bernard Venhoven als officier vertelde, dat het de bedoeling was om een voorlopig bestuur te kiezen dat tot taak zou krijgen een schuttersgilde in verenigingsverband voor te bereiden. Zodra dit bestuur is gekozen, aldus verklaarde Bernard Venhoven, zal de oude schutterscompagnie zich beschouwen als zijnde opgehouden hebbende te bestaan.
Op twee na verklaarden de officieren van de Compagnie zich niet bereid om in het op te richten schuttersgilde opnieuw een officiersfunctie te gaan vervullen. Bij de gehouden bestuursverkiezing werden Rudolf van Osch tot voorzitter en Alwies Tenbult, Bernard Venhoven, Jaap van Breukelen en Jan Koolenbrander tot leden van het voorlopig bestuur gekozen. Staande de vergadering gaven zich van de 95 aanwezigen 65 op als lid. Het officierenkorps van de Compagnie bestond uit de heren Theodoor Friesen, Theodoor Roes, Bernard Venhoven, Jozef ter Voert, Hendrik Hogenkamp en Hendrik Visser, die op twee na bedankten. Zij verklaarden daarmede de Compagnie voor opgeheven, en de bezittingen van de Compagnie werden aan de nieuwe schutterij in eigendom overgedragen. Besloten werd ook dat het nieuwe schuttersgilde, evenals de parochie, onder patronaat van St. Martinus zou worden gesteld. Nadat door het voorlopig bestuur de organisatorische voorbereidingen waren afgerond werd op 15 maart 1936 de definitieve oprichtingsvergadering gehouden die door 110 belangstellenden was bezocht, die zich allen als lid lieten inschrijven.

De contributie werd bepaald op f 3,00 voor gewone leden en f 1,50 voor niet-dansende leden. Bij de verkiezing van officieren deed zich onverwacht een complicatie voor, toen twee oud-officieren van de Compagnie het recht opeisten zonder meer in dezelfde functie hij het St.-Martinusgilde benoemd te worden. Dit werd evenwel geweigerd en men bepaalde, dat iedere functionaris door de leden gekozen moest worden. Rondom dit punt ontstond een meningsverschil dat zich ontwikkelde tot een ernstig probleem en dat aanleiding werd tot verstoring van de eenheid onder de dorpsbewoners. Zelfs had dit tot gevolg dat de oude compagnie zich heroprichtte, nu onder commando van Bernard Legeland, die voordien vele jaren als zeer deskundige commandant had gefunctioneerd.
De eigendommen van de Compagnie werden nu niet in eigendom aan het nieuwe schuttersgilde overgedragen. Pastoor Herman Stefanus Mölder probeerde tijdens en op 16 mei 1936 gehouden vergadering in het gerezen geschil te bemiddelen, hetgeen hem, ondanks de grote volgzaamheid van en zijn populariteit hij zijn parochianen, niet mocht gelukken. De gemoederen waren nog te sterk verhit. Wel werd Jan Duking, ook een zeer geacht en algemeen gewaardeerd persoon, tot nieuwe voorzitter gekozen.
Drie dagen later, op 19 mei 1936, werd opnieuw een vergadering belegd en werden de nieuwe officieren gekozen; en we tot Commandant Hendrik Massop, en verder Gerrit Hakvoort, Willem Heukshorst, Gerrit Bockting, en Theodoor Duking. Aan schilder Jan Koolenbrander werd opdracht gegeven om twee nieuwe schuttersvaandels te schilderen, terwijl Bart Snelting vergunning gaf om in zijn weide 't Goor de vogelscheer voor het vogelschieten te plaatsen.
In tegenwoordigheid van burgemeester Beaumont en de gemeentesecretaris B. Kabel werd op 2 juni 1936 een spoedeisende vergadering gehouden, waarop ook 112 leden van het St. Martinusgilde aanwezig waren.
Het doel van deze vergadering was om alsnog te trachten de twee partijen in het schuttersgeschil tot een eenheid te brengen. Maar omdat beide partijen voet bij stuk hielden had ook deze vergadering geen ander resultaat dan dat burgemeester Beaumont op 3 juni 1936 het besluit nam dat de Compagnie op maandag de kermis en het St. Martinusgilde op dinsdag de kermis mocht organiseren, met de daaraan verbonden schuttersoptocht, vogelschieten en volksvermakelijkheden.
Gedurende deze kermis bleek de aanhang van de Compagnie betrekkelijk klein, terwijl die van St. Martinusgilde drie kwart van de dorpsbevolking omvatte. In de navolgende maanden werd druk gewerkt aan de verdere uitbouw van het St. Martinusgilde. Bernhard te Wiel vervaardigde een 100-tal houten geweren. Hendrik Nieuwenhuis maakte een paar dieptetrommen. Anderen maakten en beschilderden de vogelscheer en vogelschacht. De leden zorgden persoonlijk voor uniformkleding, zijnde in eerste instantie een witte broek, plus zwarte hoed met hanenveer en een gewone colbertjas. Maar vooral aan de geoefendheid van de schutters werd veel aandacht besteed, waaraan de leden spontaan hun medewerking gaven.

Op 1 augustus 1937 presenteerde het nog jonge schuttersgilde zich voor het eerst buiten Megchelen door deelname aan het gildeconcours te Netterden. Dat op zulk een overtuigende wijze, dat een oude spreuk weer eens bewaarheid werd: het St. Martinusgilde kwam, zag en overwon. Als een baby tussen de verscheidene aanwezige gilden - sommigen meerdere eeuwen oud -gaf het dusdanig de toon aan dat de op het erepodium gezeten burgemeester Beaumont enthousiast opsprong en uitriep: "Kijk nou dat Megchelen eens, 150 kerels, maar toch één arm, één been, één beweging".
Het resultaat was dan ook dat op alle onderdelen, te weten: marcheren, defileren en het best gedisciplineerde schuttersgilde, St. Martinus bekroond werd met een 1-ste prijs met de aantekening "met lof der jury", plus nog twee extra prijzen voor het grootste (deelnemende) schuttersgilde en het beste muziekkorps.
Hoewel dit eerste succes veelbelovend was voor de verdere toekomst, bestond toch nog steeds het feit dat in Megchelen twee schutterijen waren en er tweedracht heerste onder de dorpsbewoners. Dit onderling meningsverschil kwam onverwacht tot een climax toen in 1937 de officieren van het St.-Martinusgilde de oude traditie van de Compagnie overnamen en de jaarIijkse inzameling verzorgden van brandbaar materiaal voor het paasvuur.

Een onverlaat had de euvele moed om in de Paasnacht tegen 2:00 uur deze brandstapel vroegtijdig in brand te steken. Nog die zelfde nacht kreeg de dader de rekening gepresenteerd voor zijn daad die hij à contant heeft moeten betalen.
Dit gebeuren wekte een grote verontwaardiging bij de dorpsbewoners, maar leidde mede tot bezinning bij de voor- en tegenstanders in het schuttersconflict die zich nu de vraag durfden te stellen: "Waar zijn we eigenlijk mee bezig?". Een duidelijk antwoord kwam op de eerste paasdag, toen opnieuw de St.-Martinusschutters er op uit trokken voor het inzamelen van brandstof, en met grote gulheid werd door "vriend en vijand" brandbaar materiaal geofferd voor het Paasvuur, dat - zoals later is gebleken - ook een "Vredesvuur" is geworden. Want de stijdbijl werd begraven, de Compagnie voorgoed opgeheven en de amokmakers werden met schade en schande overladen.

In de volgende jaren ontwikkelde zich het schuttersgilde tot een bloeiende vereniging, die vol levensdrang zijn taak in de Megchelse samenleving vervulde. Maar op 10 mei 1940 kwam plotseling een einde aan deze bloei door de inval van de Duitse troepen in Nederland, waardoor het St.-Martinusgilde gedwongen werd onder te duiken en in winterslaap te gaan. Toen na vijf zware bezettingsjaren de Duiters in maart 1945 uit Megchelen waren verdreven, resste van het dorp nog slechts een rokende puinhoop.
De toegebrachte oorlogsschade drukte ook zijn stempel op het schuttersgilde. Het bestuurslid Theodoor Nijland en de leden Antoon ter Voert en Hendrik Visser waren door het oorlogsgeweld om het leven gekomen en er was ook een groot materieel verlies geleden. Ondanks deze tegenslagen kwam men al op 8 juni weer in vergadering bijeen en er werd besloten om, zo goed en kwaad als mogelijk zou zijn, in 1945 weere en kermisviering te houden. Met 150 leden ging men opnieuw van start en werd begonnen met de opbouw van het dorp en het schuttergilde.

Hoewel het ledental gedurende de naoorlogse jaren schommelde rond de 275, was er toch een kentering te constateren in het schuttersleven. En wel doordat de bejaarden het nu eerder lieten afweten en ook de opgroeiende jonge generatie geen behoefte volde om als actief werkende, geweerdragende schuters mee te marcheren. Geleidelijk werd het aantal medemarcherende "manschappen" dan ook steeds kleiner, en tenslotte bleef er niemand meer over. Wel werd begin jaren tachtig alsnog geprobeerd een "geweergroep" op te bouwen, maar het bleef bij een armzalige poging. Deze verandering in het zich als schuttersgilde presenteren heeft geen afbreuk gedaan aan de organisatie van activiteiten die in grote verscheidenheid tot uitdrukking is gebracht met het steeds spontaan medewerking verlenen aan kerkelijke en burgelijk dorpsgebeuren. Dit niet aleen in eigen dorp maar ook met deelneming aan groots opgezette schuttersgebeurtenissen ongeacht of deze in Nederladse of Duitse plaatsen werden gehouden.

In de huide opstelling is het tamboerkorps dat enkele jaren geleden tot een bevredigend fanfarekorps is uitgegroeid, dat aangevuld is met een 15-tal vaandels omvattend vendelkorps, dat aan het geheel een imposante indruk geeft.

HomeNieuwsAgenda 2012Euregio Rijn WaalFoto Galerie